HET WETENDE VELD
Nick Blaser,"Familieopstellingen, Bert Hellingers systemische familietherapie",
BRES, Amsterdam, 2001, blz. 92-103, ISBN:90-6229-076-0

In het voorgaande werd steeds weer verwezen naar het wetende veld zonder dat dit uitvoeriger werd besproken. In dit hoofdstuk zal ik proberen nader op het wetende veld in te gaan, waarbij zal blijken dat een wetenschappelijke verklaring voor dit fenomeen niet mogelijk is. Zoals we hebben gezien, laat de therapeut zich leiden door het wetende veld. Wat betekent dit nu ?
De therapeut heeft een waarnemende en leidende functie. Dit houdt in dat hij wijzigingen van gezichtsuitdrukkingen en lichaamshoudingen registreert. Hij vraagt de plaatsvervangers expliciet naar veranderingen van de gevoelens en naar niet zichtbare lichamelijke symptomen, zoals hartkloppingen, buikpijn, hoofdpijn enzovoort. De plaatsvervangers bemerken deze veranderingen onder invloed van het wetende veld. Een vertegenwoordiger voelt zodra hij in de opstelling op zijn plaats wordt gezet een stemming of een lichamelijk symptoom dat overeenkomt met het bewustzijn en de lichamelijke ervaringen van de persoon die hij representeert. De cliënt die tijdens de opstelling aanvankelijk alleen toekijkt, ziet hoe de plaatsvervanger dezelfde lichaamshouding aanneemt, dezelfde ondervindingen noemt en zelfs exact dezelfde zinnen zegt als de persoon uit zijn familie. Dit fenomeen, dat keer op keer optreedt, wordt door het wetende veld veroorzaakt.
Tijdens een werkgroep stelt Carolien een vertegenwoordiger voor zichzelf op, haar echtgenoot en haar zoon. Zodra de representant van haar man op zijn plaats staat, begint hij te wankelen. Hij ziet wazig en is licht duizelig. Hij heeft het gevoel dat hij dronken is. Na de opstelling vertelt Carolien dat haar echtgenoot alcoholist is. De plaatsvervanger heeft dit zonder te weten geregistreerd.
Het blijkt dat tijdens een opstelling een kennisoverdracht plaatsvindt tussen de afkomst- of gekozen familie en de plaatsvervangers, ongeacht de plek, de tijd, de therapeut en de vertegenwoordiger. Van dit verschijnsel maakt Hellinger gebruik. Hij zet deze aanwezige kennis om in een therapeutisch gebeuren.
Hier ontstaat bij de onervaren toeschouwer of lezer wantrouwen. Worden tijdens opstellingen onzichtbare krachten gesuggereerd, worden magische toverformules uitgesproken om de groepsdeelnemer in een andere bewustzijnstoestand te verplaatsen ? Deze vragen zijn terecht en zoals in de inleiding van dit hoofdstuk werd gezegd, ontbreekt tot op heden een wetenschappelijke verklaring voor dit verschijnsel. Dit vergroot de skepsis van de materialistische moderne mens, die alleen gelooft wat bewijsbaar is. Aan één wetenschappelijk criterium voldoet het wetende veld, het is overal en op elk tijdstip oproepbaar.
Zoals we zullen zien, is Hellinger niet de eerste die op dit fenomeen binnen de familie is gestoten. Hij is waarschijnlijk wel diegene die het wetende veld in zijn dagelijkse therapeutische handelen heeft weten te integreren en hij is een van de eersten die zich zo diepgaand met de consequenties voor het familiegebeuren heeft bezig gehouden..

Onafhankelijk van het wetende veld is vooral Rupert Sheldrake bekend geworden door zijn studies over het morfogenetische veld. Het is waarschijnlijk dat zijn morfogenetische veld hetzelfde is als het genoemde wetende veld. Sheldrake gaat ervan uit dat de wereld onderhevig is aan een creatief proces. De schepping bestaat in het hier en nu in de aanwezigheid van het verleden en existeert tevens in de aanwezigheid van de toekomst. Hij zet een vraagteken achter de veronderstelling dat natuurwetten vanaf de Big Bang existeren zonder dat zij zich sindsdien veranderd zouden hebben. Hij vraagt zich af of het juist is dat bijvoorbeeld de zwaartekracht, zoals deze door Newton werd gedefinieerd, er altijd in deze vorm is geweest en altijd zo zal blijven. Als dit niet het geval is, als natuurwetten een ontwikkeling volgen, zo redeneert hij, moeten we ervan uitgaan dat de natuur een geheugen heeft. Het ons bekende menselijke geheugen is nog steeds een raadsel, ook al vermoeden moderne onderzoekers het geheim op het spoor te zijn. Ook dieren hebben een geheugen, zoals wij bij bepaalde soorten kunnen vaststellen. Volgens Sheldrake moeten ook bomen, planten, eiwitten of kristallen een geheugen hebben. Dit is noodzakelijk als we ervan uitgaan dat de natuur zich ontwikkelt.
Ter illustratie volgt hier een voorbeeld uit een van zijn boeken. In 1920 startte aan de Harvard universiteit W.McDougall een experiment waarbij hij witte laboratoriummuizen in een bak met water zette. De muizen moesten twee uitgangen van elkaar leren onderscheiden. De verlichte uitgang was aan pijn gekoppeld. McDougall wisselde de belichting van de uitgangen zodanig af dat bij het betreden van de uitgang met licht de muizen een stroomstoot kregen. De eerste generatie muizen die aan dit experiment meedeed had 165 elektroshocks nodig voordat de muizen begrepen dat de donkere uitgang pijnloos was. Het bleek dat de daarop volgende muizengeneraties steeds minder oefening nodig hadden om hetzelfde te leren. Muizen van de 30 ste generatie wisten al na 20 pogingen welke uitgang pijnloos was. McDougall wist uit te sluiten dat bij de volgende generaties een selectie plaatsvond van intelligente dieren. Zijn verklaring voor dit wonderbaarlijke verschijnsel was, dat zijn resultaten een gevolg waren van een modificatie van de genen. F.A.Crew herhaalde dit experiment in Edinburgh met witte laboratoriummuizen die genetisch gezien geen directe afstammelingen waren van de muizen van McDougall. Tot zijn verbazing wisten zijn muizen tijdens het eerste experiment al na 25 keer het probleem op te lossen.
Sheldrake verklaart dit fenomeen door het morfogenetische veld. Hij gaat ervan uit dat het morfogenetische veld onafhankelijk van plaats en tijd werkt. Het is een zichzelf organiserende identiteit, die ruimte- en tijdpatronen ritmisch activeert. Door middel van de zogenaamde morfogenetische resonantie reageren die identiteiten die met het morfogenetische veld verwant zijn op deze ritmische patronen zodanig, dat de stabiliteit van het veld versterkt wordt en nieuwe soortgelijke organisaties kunnen ontstaan. Het doel of het eindpunt dat de richting van een morfogenetisch proces aangeeft, wordt attractor genoemd. Het morfogenetische veld bezit een geheugen dat door de eigen resonantie en door de resonantie van andere vroegere soortgelijke systemen wordt bepaald. Dit geheugen is cumulatief. Hoe vaker een activiteitspatroon herhaald wordt, hoe groter de waarschijnlijkheid dat het tot een gewoonte, een regel of een wet wordt. Bekijken we nog eens het experiment met de muizen. De eerste generatie muizen van McDougall had 165 pogingen nodig om te leren welke uitgang de juiste is. Dertig generaties later leren de muizen binnen 20 keer de gewenste uitgang te vinden. Volgens de hypothese van het morfogenetische veld beïnvloedt de opgedane kennis van de eerste generatie muizen de activiteit van dezelfde soort muizen bij een zelfde test. Er vindt dus een morfogenetische resonantie plaats die het waarschijnlijk maakt dat een patroon zich herhaalt. Als we ervan uitgaan dat deze kennisoverdracht onafhankelijk van plaats en tijd mogelijk is, verklaart dit dat in Edinburgh en later ook nog eens in Melbourne door W.E.Agar herhaald, de muizen sneller weten hoe ze hun opgave kunnen oplossen.

Eenvoudiger geformuleerd kunnen we zeggen dat het morfogenetische veld nabootsing stimuleert en wel sterker naarmate er tussen de twee systemen meer overeenkomsten zijn. Dit imiteren wordt niet door de afstand en niet door de grootte van het tijdsinterval beïnvloed. De genetica komt hierdoor in een geheel ander licht te staan, maar ook familiegewoonten en culturele tradities kunnen nu anders geïnterpreteerd worden. Sheldrake zegt dat de genen niet de dragers zijn van informatie maar de ontvangers. Morfogenetische velden hebben gelijksoortige eigenschappen als Dawkins "memen". Memen, zo schrijft Dawkins, zijn levende structuren die binnen een maatschappij door een proces dat ruim gezien als imitatie gedefinieerd mag worden, kennis van generatie op generatie binnen een cultuur doorgeven. Kinderen worden beïnvloed door "sociaalmorfogenetische velden" en oriënteren zich door hun morfogenetische resonantie aan de actieve patronen van hun cultuur. Ze worden door het morfogenetische veld gevormd en hun gedrag wordt door de morfogenetische resonantie gestabiliseerd.

Als we bovenstaande gedachten vertalen naar de familieopstellingen, dan kunnen we de opstelling zelf, maar ook de kennisoverdracht binnen de familie vanuit een ander perspectief benaderen.
Blijven we nog even bij de opstelling. Tijdens een constellatie blijkt het mogelijk te zijn door middel van een ritueel gebeuren met het wetende veld in contact te treden. Wij mensen hebben de mogelijkheid deze kennis bewust waar te nemen. Een voorbeeld dat niets met opstellingen te maken heeft, kan dit illustreren.
Enkele maanden nadat Klaas in 1993 naar zijn huidige woning op de derde verdieping verhuisde, maakte hij zich zorgen over hoe hij zijn woning kon verlaten als het huis in brand stond. Er zijn mensen die in elke bioscoop eerst de nooduitgang controleren en in elke flat eerst de brandladder zoeken. Tot deze groep behoort Klaas niet. Hij heeft al in verschillende flats gewoond en heeft op hotelkamers op de twaalfde verdieping rustig kunnen slapen zonder één seconde aan brandgevaar te moeten denken. Het was voor hem nieuw dat hij uit het raam keek en het risico van een sprong trachtte in te schatten. Na drie maanden besloot hij een twintig meter lang touw te kopen. Hij bevestigde het aan de verwarmingsbuizen in de badkamer, waar het nog steeds is gemonteerd. Met het touw kon hij zowel voor als achter veilig het brandende huis verlaten. Pas één jaar geleden vertelde zijn bovenbuurman dat het huis waarin Klaas woont dertig jaar geleden is afgebrand. Zeven mensen kwamen daarbij om het
leven.
Is het mogelijk dat de kennis van deze gebeurtenis nog aanwezig is ? Is het mogelijk dat Klaas dit wetende veld heeft waargenomen ? Is het mogelijk dat de kracht van dit wetende veld zo sterk is, dat hij naar de winkel is gegaan en een touw heeft
gekocht ?
De ervaringen van een plaatsvervanger tijdens een opstelling zijn vergelijkbaar. Een gevoel wordt bewust en een gedachte die vaak geen samenhang lijkt te hebben met de opstelling wordt zo sterk dat de plaatsvervanger actief wordt. Hij durft de gedachte uit te spreken, hij durft bijvoorbeeld met zekerheid te zeggen: "Ik ben bang voor mijn oom". Volgens de theorieën van Sheldrake versterken de ervaringen van de opstellingen zichzelf. Hoe vaker opstellingen waar ook ter wereld plaatsvinden, hoe makkelijker de vertegenwoordigers met het wetende veld van de onbekende familie in contact kunnen treden.
Het tweede punt dat werd aangestipt is hoe informatie binnen een familiesysteem wordt overgedragen. Het blijkt dat kinderen en kleinkinderen weet hebben van familiegeheimen. Ofschoon er nooit over gesproken is, weten de nakomelingen wat er in een familie heeft plaatsgevonden. Om dit te verduidelijken volgt hier een voorbeeld.
In 1985 maakte Nick een fotoserie waarbij hij gebruik maakte van röntgenfoto's. Met speciale fototechnieken manipuleerde hij de opnames tot kleurrijke fantasiemontages. Voor een van de ontwerpen gebruikte hij de röntgenfoto's van zijn broer. Deze foto's waren gemaakt toen zijn broer vier jaar oud was en zijn sleutelbeen had gebroken. Op de controlefoto's zien we hoe de botstukken aan elkaar gegroeid zijn. Voor zijn collage kleurde hij de foto met rood en blauw licht en legde ter hoogte van de slokdarm een veiligheidsspeld. Het leek alsof het vierjarig kind een veiligheidsspeld had ingeslikt. Deze foto werd evenals de andere foto's gepubliceerd en verdween nadien in een la.
Twee jaar geleden ontmoette hij de dochter van de tweelingsbroer van zijn grootvader. Zij vertelde hem dat zij een familiearchief bezit met schilderijen, foto's, krantenknipsels, brieven en dagboeken. Toen hij haar thuis bezocht, vertelde zij hem het volgende verhaal. Nathalia, zijn betovergrootmoeder was, vanuit Rusland naar Duitsland verhuisd. Toen zij ongeveer 65 jaar oud was kreeg zij een brief van een Russische priester. Hij schreef dat het hem veel moeite had gekost haar adres te vinden. Hij had als priester in Rusland aan een oude vrouw de laatste zegen gegeven. Op het sterfbed vertelde de vrouw dat zij als nanja (dienstmeisje) bij een familie had gewerkt en verantwoordelijk was geweest voor de dood van een vierjarig jongetje. Door haar onoplettendheid had het kind een veiligheidsspeld geslikt en was daaraan overleden. Dit kind was het broertje van zijn betovergrootmoeder Nathalia.
De overeenkomsten zijn te frappant om de gelijkenis aan het toeval over te laten. Nick koos voor zijn ontwerp een röntgenfoto van zijn broer. Zijn broer was tijdens de opnames vier jaar oud. Hij legde een veiligheidsspeld op zijn slokdarm om het slikken van een veiligheidsspeld te suggereren. Weer kunnen dezelfde vragen worden gesteld. Is het mogelijk dat 150 jaar later via het wetende veld onbewust deze familietragedie kan worden waargenomen ? Is het mogelijk dat deze kennis op een fotografische wijze weergeven wordt zonder de ware betekenis ervan te kennen ?
Anne Ancelin Schützenberger is een professor in de psychologie in Nice in Frankrijk die zich jaren heeft beziggehouden met het "ancestor- en het "anniversarysyndrome". In haar boek over transgenerationele psychotherapie beschrijft ze verschillende voorbeelden van onbewuste kennisoverdracht binnen een familie. Daarbij volgt zij de familiegeschiedenis gedurende verscheidene eeuwen. Hier beschrijven we twee van haar voorbeelden, één uit haar boek en één uit een podiumdiscussie.
In het eerste voorbeeld beschrijft zij een man, Charles genoemd, die een kwaadaardige tumor van de testikels heeft. Als hij 39 jaar oud is, wordt de diagnose gesteld. Hij wordt geopereerd en herstelt van de ingreep. Twee jaar later worden er uitzaaiingen in de longen vastgesteld. Charles weigert een chemotherapie, weigert elke vorm van medische interventie. In de psychotherapie met Anne Ancelin Schützenberger vertelt hij haar over zijn leven. Hij is getrouwd en heeft een lieve, 9 jaar oude dochter. Hij is opgegroeid in de Franse Alpen. Het is onduidelijk waarom hij met de operatie akkoord is gegaan en hij de chemotherapie weigert. Samen bekijken zij zijn stamboom. Zijn vader is 70 jaar oud en was slager van beroep. In zijn jeugd had Charles kennisgemaakt met de belangrijke functie van het mes. Het mes is in zijn familie een existentieel voorwerp. Dit zou kunnen verklaren waarom hij de operatie toeliet. Onduidelijk is echter waarom hij een nieuwe behandeling weigert. In de volgende generatie ontdekt Schützenberger zijn opa, die 39 jaar oud overleed aan een schop tegen zijn kruis. Is hier sprake van toeval ? Is de plaats van de ziekte, de leeftijd, de weigering een behandeling een kans te geven een samenloop van omstandigheden of is hier sprake van een onzichtbare
loyaliteit ?
Het tweede voorbeeld gaat over een cliënte die over de tragische dood van haar 18- jarige neef vertelt. De jongeman wordt als hij een lift wil binnenstappen door de lift onthoofd. Op het moment dat hij nieuwsgierig zijn hoofd om de hoek van de geopende liftdeur steekt stort de lift naar beneden. De jongen overlijdt op 6 januari, de dag dat in Frankrijk Driekoningen wordt gevierd. Men viert dit door een speciaal brood te eten waarin een plastic koning is verstopt. Degene die het stuk brood met het poppetje krijgt, mag de hele dag een papieren gouden kroon dragen. Haar neef was op weg naar de bakker om dit feestelijke brood te halen toen hij door de lift werd onthoofd. Schützenberger onderzoekt zijn familiegeschiedenis en stuit op de betovergrootvader die als eerste voor de dood van Lodewijk de zestiende heeft gestemd. De koning werd met een meerderheid van één stem ter dood veroordeeld en overleed onder de guillotine. Voelde de betovergrootvader zich schuldig aan de dood van de koning en voelt de neef zich met hem op een onzichtbare wijze verbonden ?
Boszormenyi-Nagy is al op dit fenomeen van de familieloyaliteit gestoten. Hij ontdekte een fragiel familie-evenwicht tussen schulden en verplichtingen. Nakomelingen moeten een uit balans geraakt familie-evenwicht herstellen. Het viel hem op dat onuitgesproken regels sterker zijn dan expliciet geformuleerde bepalingen. Ook andere onderzoekers hebben deze onbewuste familieoverdracht beschreven. N.Abraham en M.Torok noemen de onbewuste aanwezigheid van de voorouders de "acting ghost" of ook wel "het fantoom". Zij definiëren het fantoom als een onbewuste bewustzijnsvorm die nooit bewust mag worden. Het werkt vanuit een onuitgesproken geheim dat beladen is met pijn en schaamte. De "ghost" kan zich manifesteren in onverklaarbaar gedrag, in misplaatste uitspraken en in onbegrepen symptomen.
De Hongaar Leopold Szondi bestudeerde tussen 1937 en 1963 honderde stambomen. Hij geloofde, dat de voorouders als onbewust familiebewustzijn in elk individu aanwezig zijn. De voorouders streven ernaar zich in de nakomelingen te kunnen uiten ("Ahnenanspruch"). Het familiebewustzijn zetelt in de genen en is de wachtkamer van onze voorouders, die staan te popelen zich te kunnen manifesteren. Dit doen zij door actief onze partner-, vrienden-, en beroepskeuze, alsook ziektes en de wijze van sterven te beïnvloeden. Szondi vond bijvoorbeeld in de stambomen van brandweerlieden opvallend veel pyromanen. Hij introduceerde de "Schicksalstherapie", waarbij de cliënt aan de hand van het genogram met het familienoodlot wordt geconfronteerd. Door het zichtbaar maken van familiepatronen kan het individu zich van het familienoodlot bevrijden en krijgt het de kans eigen nieuwe keuzes te maken. Deze confrontatie is volgens Szondi voor de enkeling vaak schokkend, omdat het moeilijk is te accepteren dat ons leven in zo belangrijke mate aan niet controleerbare krachten is over-
geleverd.
Ook de leden van Palo Alto Mental Research Institute zoals Whitaker, Napier en Watzlawick spraken over een ghost die zich uit het verleden aan de patiënt presenteert. Ook zij werkten later met familiestambomen (50).
Claudia Vegh, die kinderen van holocaustslachtoffers interviewde, kwam tot de conclusie dat het trauma van het niet uitgesprokene, van het geheim, sterker is dan het trauma van de confrontatie met de werkelijkheid. De Franse psychoanalyste Francoise Dolto zei al in 1952 dat binnen de familie kinderen en huisdieren (honden) alles weten, vooral wanneer het niet wordt uitgesproken.
Guy Ausloos formuleerde het op de volgende manier:"Het is verboden te weten en het is verboden niet te weten".
Ofschoon het kind nog geen taal ter beschikking heeft, kan het kind systemische familie-informatie waarnemen en opslaan. Deze kennis gaat niet verloren en wordt later onbewust verwerkt, steekt de kop op als ghost of wordt doorgegeven.

Schützenberger maakt onderscheid tussen "intergenerationele transmissie" en "transgenerationele transmissie". De eerste vorm is de overdracht van voor iedereen zichtbare en uitgesproken informatie. Deze informatie kan een familiegewoonte zijn, een in de familie veel voorkomend beroep of een zich herhalende kwaliteit bijvoorbeeld muzikaliteit, wiskundeknobbel enzovoort. Transgenerationele transmissie is de overdracht van onzichtbare, onbewuste of geheime informatie. Met schaamte beladen gebeurtenissen, taboes of zelfs "ondenkbare" gevoelens of ideëen worden van generatie op generatie doorgegeven. Ze kunnen zich uiten in dromen, onbegrijpelijk gedrag, psychotische hallucinaties of lichamelijke ziekten.

Het is indrukwekkend te zien dat wij niet alleen een geheugen hebben voor niet uitgesproken informatie maar ook voor verborgen getallen.
Schützenberger beschrijft de familiegeschiedenis van een van haar studentes Celedrine. De moeder van Celedrine overleed op 12 mei ten gevolge van kanker. Het jaar daarop overlijdt de broer van haar moeder bij een verkeersongeval, eveneens op 12 mei. Als Schützenberger haar stamboom onderzoekt, ontdekt zij dat Celedrine's grootmoeder op natuurlijke wijze op 12 mei is gestorven, haar grootvader op 12 mei bij een ongeluk om het leven is gekomen en de oom en peetvader van deze grootvader tijdens de oorlog op 12 mei is vermoord. Dit noemt zij het verjaardagssyndroom.
Haar beschrijvingen, de ervaringen van Boszormenyi-Nagy, de ondervindingen van Abraham en Torok en de familieopstellingen van Bert Hellinger laten zien dat binnen een familie een stille kennisoverdracht plaatsvindt. Het wetende veld of de morfogenetische resonantie speelt bij deze transmissie waarschijnlijk een voorname rol. Het kan belangrijk zijn om deze geheimzinnige kracht een naam te geven. Daarmee wordt het onbekende minder bedreigend. Het doorgronden van een onverklaarbaar maar voor een ieder zichtbaar en waar te nemen fenomeen is een uitdaging voor de mensheid. Het zal niet lang meer duren totdat nieuwsgierige onderzoekers studies zullen starten om een tip van de sluier op te kunnen lichten. Het zou best mogelijk kunnen zijn dat door Bert Hellingers herontdekking van het wetende veld en zijn praktische omgang met deze aanwezige kennis ons levensbeeld, ons wetenschappelijk denken en onze cultuur zal veranderen.


Literatuur

Sheldrake, R., Das Gedächtnis der Natur. Scherz, Bern, 1998.

Sheldrake, R.,A.A.Schützenberger,B.Hellinger, Reviewing assumptions, A dialog about phenomena that challenge our world-view. VHS-Video, Carl-Auer, Heidelöberg, 1999.

Boszormenyi-Nagy, I., G.Spark. Unsichtbare Bindungen. Die Dynamik familiärer Systeme, Klett-Cotta, Stuttgart, 1973.

Schütznenberger,A.A., The Ancestorsyndrome, Transgenerational psychotherapy and the hidden links in the family tree, Routledge, London, 1998.

Ausloos,G., Secrets de famille, in Annales de psychotherapie, changements systemiques en therapie familiale, 62-80, 1980.

Dolto-Marette, F., La cause des Enfants, Laffont, Paris, 1985.

Dolto-Marette, F., Inconscient et destin, Le Seuil, Paris, 1988.


terug